Detransitie-percentage volgens onderzoek
Hoeveel mensen stoppen of keren een sociaal of medisch transitietraject om? De cijfers verschillen sterk per definitie en follow-up duur.
Ranges in literatuur
Publicaties melden detransitie-percentages tussen minder dan 1 procent (Amsterdam UMC, langetermijn-follow-up volwassenen) en meer dan 30 procent (cohortstudies adolescenten met kortere follow-up of zelfrapportage). Veelgenoemde studies hanteren een range van ongeveer 1 tot 13 procent voor klinisch gemeten stopzetting binnen een follow-up tot vijf jaar. Recente cohortstudies bij minderjarigen die met hormonen starten laten percentages stopzetting binnen 4-5 jaar zien van 7 tot 30 procent, afhankelijk van setting.
Belangrijke studies
- Wiepjes e.a. (2018, Amsterdam): minder dan 1 procent regret-meldingen na chirurgie in langetermijncohort van volwassenen.
- Vandenbussche (2022, online cohort, n=237): aanzienlijk hogere percentages bij zelfrapportage detransitioners, met gemiddelde tijd tot detransitie van circa 4 jaar.
- Roberts e.a. (2022, Tricare VS): ongeveer 7 procent stopzetting binnen vier jaar bij minderjarigen op hormoontherapie.
- Boyd e.a. (2022): variatie van 2 tot 13 procent afhankelijk van setting.
- Hall e.a. (2021, NHS Tavistock follow-up): tot 30 procent stopzetting puberteitsremmers of hormonen binnen drie jaar.
- Littman (2021): bij online cohort detransitioners overheerst spijt en gevoel van ontoereikende diagnostiek.
Meetproblemen
Klinieken verliezen vaak contact met mensen die stoppen, waardoor cijfers structureel onderschat kunnen zijn. Daarnaast valt onderscheid weg tussen tijdelijk stoppen vanwege bijwerkingen, identiteitsverandering en regelrechte spijt. Het Cass-rapport beveelt langetermijnregisters aan met verplichte follow-up, omdat zonder zulke registers het Nederlandse spijt-cijfer van "minder dan 1 procent" niet kan worden gerepliceerd voor de huidige groep adolescenten.
Kritiek op het affirmatieve model
In het affirmatieve model wordt het lage Amsterdamse cijfer vaak generiek geciteerd. Critici (Cass, SBU, COHERE, UKOM) stellen dat dit getal niet meer representatief is voor de huidige instroom: de patientpopulatie is sinds 2015 jonger, vaker AFAB, vaker met comorbiditeit en met kortere voorgeschiedenis van genderdysforie. Voor de specifieke vraag rond spijt zie spijt-percentage in onderzoek.