genderzorgnederland.nl

burgerinitiatief — monitor genderzorg

4 oktober 2026

Vanuit de huiskamer: hoe de vroege Nederlandse transgenderzorg zijn wetenschappelijke fundament miste

Nederland geldt internationaal als bakermat van de moderne transgenderzorg: het “Dutch Protocol” werd wereldwijd de referentie voor de behandeling van genderdysforie bij jongeren. Een recent essay van Mia Hughes, directeur beleid en onderzoek bij Genspect, zet echter vraagtekens bij hoe gezaghebbend die vroege Nederlandse praktijk werkelijk was. Haar conclusie: de wortels van het protocol liggen minder in zorgvuldig opgebouwde klinische consensus dan het beeld dat er sindsdien over bestaat, en meer in individuele artsen die vooruitliepen op het wetenschappelijk bewijs.

Vanuit de huiskamer: endocrinoloog Otto de Vaal

Centraal in het essay staat endocrinoloog Otto de Vaal, die vanaf 1968 vanuit zijn eigen huis hormonen voorschreef aan volwassenen die zich identificeerden als transseksueel. Dat gebeurde buiten de psychiatrie om en buiten enig multidisciplinair team — een manier van werken die haaks staat op het zorgvuldige, gefaseerde traject dat het Dutch Protocol decennia later juist beroemd zou maken. Hughes betoogt dat deze informele, individuele aanpak aan de wieg stond van een praktijk die pas achteraf werd ingekleed als een doordacht medisch model.

Een commissiebesluit dat nooit meer ter discussie stond

In 1976 keurde de Medisch Ethische Commissie van het VU-ziekenhuis geslachtsveranderende chirurgie goed als behandeloptie. Volgens Hughes is dat besluit sindsdien “nooit aangevochten of herzien” — ook niet toen latere generaties onderzoekers, waaronder de Britse Cass Review, vraagtekens zetten bij de bewijskracht achter vergelijkbare ingrepen. Een beslissing die bedoeld was als zorgvuldige ethische toetsing, functioneerde zo decennialang als stilzwijgend fundament waar niemand meer op terugkwam.

Televisie als wervingskanaal

Het essay citeert ook Jos Megens, destijds coördinator van de Amsterdamse genderkliniek, die zich herinnert dat na elk tv-optreden over transseksualisme de telefoon niet stilstond met mensen die behandeling zochten. Die herinnering onderstreept een patroon waar critici al langer op wijzen: publieke zichtbaarheid van een diagnose en haar behandeling kan de vraag naar diezelfde behandeling direct aanjagen, los van de vraag of de onderliggende klachten daadwerkelijk toenamen of alleen vaker werden herkend en benoemd.

Wat de wetenschap al veel eerder zei

Hughes plaatst deze Nederlandse geschiedenis naast ouder internationaal onderzoek dat zelden wordt meegewogen in het gangbare verhaal. Al in 1965 waarschuwde psychiater Ira Pauly voor een iatrogeen effect: de behandeling zelf kan het ongemak waarvoor ze bedoeld is, versterken in plaats van verlichten. Historicus Joanne Meyerowitz documenteerde hoe medische classificaties van gender in de twintigste eeuw minstens zo veel door cultuur en tijdgeest werden gevormd als door biologisch onderzoek. En psychiater Paul McHugh van Johns Hopkins — de instelling die ooit als een van de eerste chirurgische genderprogramma's ter wereld opende — betoogde later juist voor de sluiting ervan, met het argument dat chirurgie een psychisch probleem niet oplost.

Waarom deze geschiedenis vandaag telt

Voor de huidige discussie over genderzorg in Nederland is deze geschiedenis meer dan een historische voetnoot. Beleidsmakers en clinici verwijzen nog altijd naar “het Nederlandse model” als bewijs van een beproefde, zorgvuldig onderbouwde aanpak. Hughes' essay laat zien dat de oorsprong van dat model minstens zo veel te danken heeft aan individuele artsen die op eigen gezag handelden en aan een commissiebesluit dat nooit meer werd getoetst, als aan de systematische wetenschappelijke onderbouwing die er achteraf aan werd toegeschreven.

Niet de eerste reconstructie van dit ontstaan

Hughes schreef al eerder over de Amsterdamse oorsprong van het protocol. Dat eerdere stuk, uitgewerkt op dutchprotocol.nl, beschrijft hoe een VU-ethicus geslachtsoperaties rechtvaardigde met een theologisch argument, hoe een teleurstellend vervolgonderzoek uit 1988 op de eerste lichting patiënten werd weggewuifd als een timingprobleem in plaats van een falen van de behandeling zelf, en hoe één tienercasus als bewijsstuk diende voor de latere uitbreiding naar puberteitsremmers bij kinderen. Samen met het verhaal van Otto de Vaal ontstaat zo geen beeld van één zorgvuldig opgebouwd protocol, maar van een reeks losse, individuele beslissingen die pas achteraf tot een samenhangend model werden samengesmeed.

Dat beeld sluit aan bij wat deze site eerder beschreef over Cohen-Kettenis als architect van het Dutch Protocol: ook daar ging vooraf geen stapsgewijze opbouw van bewijs, maar een klein team dat een eigen werkwijze internationaal liet normaliseren voordat onafhankelijk onderzoek de kans kreeg die werkwijze te toetsen. Drie reconstructies, drie verschillende invalshoeken, één terugkerend patroon: praktijk die ontstond uit individuele overtuiging en pas later als wetenschappelijk fundament werd gepresenteerd.

Bronnen

Mia Hughes, “How the Dutch Normalized Medical Madness”, Genspect, 1 oktober 2026. genspect.org/how-the-dutch-normalized-medical-madness

Saskia Weijermars

Saskia Weijermars

Redactie

Veelgestelde vragen

Wie was Otto de Vaal?

Otto de Vaal was een Nederlandse endocrinoloog die vanaf 1968 vanuit zijn eigen huis hormonen voorschreef aan volwassenen die zich identificeerden als transseksueel — buiten de psychiatrie en buiten een multidisciplinair team om, op een moment dat er nog geen vastgelegd behandelprotocol bestond.

Wat besliste de VU Medisch Ethische Commissie in 1976?

De commissie keurde geslachtsveranderende chirurgie goed als behandeling voor transseksualiteit. Volgens het besproken essay is dat besluit sindsdien nooit meer formeel aangevochten of herzien, ook niet toen decennia later de wetenschappelijke onderbouwing van zulke behandelingen zwakker bleek dan aangenomen.

Welke wetenschappers wijzen op problemen met het vroege Nederlandse model?

Het essay verwijst onder meer naar psychiater Ira Pauly, die al in 1965 waarschuwde voor iatrogene versterking van genderongemak door behandeling zelf, naar historicus Joanne Meyerowitz en naar psychiater Paul McHugh van Johns Hopkins, die eerder de sluiting van het genderprogramma aldaar beargumenteerde.