18 mei 2026

UMCG-studie genderonvrede: Vastermans kritiek
Peter Vasterman bespreekt op zijn blog (12 maart 2024) het TRAILS-onderzoek van het UMCG (Rawee, Rosmalen, Kalverdijk en Burke, Archives of Sexual Behavior, 2024). Hij wijst op de antwoordschaal, de kleine aantallen, de uitval en het ontbreken van een koppeling met genderklinieken.
Wat het UMCG-onderzoek vond
Het onderzoek volgt vanaf 2001 jongeren uit Noord-Nederland: 2.772 deelnemers uit de TRAILS-populatie en de klinische cohort, met zes metingen tussen ongeveer 11 en 26 jaar. Het item was "Ik wil van het andere geslacht zijn". In de vroege adolescentie meldde 11 procent van de deelnemers genderonvrede; bij de laatste meting, rond 26 jaar, was dat 4 procent. De onderzoekers onderscheiden drie trajecten: geen genderonvrede (78 procent), afnemende (19 procent) en toenemende (2 procent). Genderonvrede hing samen met een slechter zelfbeeld en meer psychische problemen (bron). Vasterman rekent voor de algemene groep (2.172 jongeren) en de ggz-groep (543) apart: in de algemene groep was het ongeveer 3 procent op 25-jarige leeftijd, in de klinische groep bijna 10 procent van de meisjes en bijna 6 procent van de jongens op 19 jaar (bron).
De vraag en de antwoordschaal
Jongeren konden kiezen tussen "nooit", "soms" of "vaak". Vasterman schrijft dat een vijfpuntsschaal (nooit, zelden, soms, vaak, altijd) waarschijnlijk tot andere cijfers had geleid, en bekritiseert het samennemen van "soms" en "vaak". De onderzoekers schrijven zelf dat hun cijfers de prevalentie van genderonvrede mogelijk overschatten, mede door deze driepuntsschaal (bron).
Kleine aantallen
Volgens Vasterman antwoordden slechts drie deelnemers (0,1 procent) bij elke meting bevestigend. Op 25-jarige leeftijd was "vaak" 1 procent van de antwoorden, 8 van de 1.618 respondenten (ongeveer 0,5 procent) (bron).
Uitval, verouderde data, ontbrekend vervolg
Vasterman meldt dat in de algemene groep 39 procent en in de ggz-groep 43 procent minder respondenten overbleef dan bij de eerste meting, en dat de laatste meting voor de algemene groep uit 2016 stamt en die voor de klinische groep uit 2020. Ontwikkelingen daarna, zoals de toename van non-binaire identiteiten en van aanmeldingen bij genderklinieken, zitten volgens hem niet in de data. De studie meldt niet hoeveel deelnemers later bij een genderkliniek terechtkwamen; Vasterman vraagt waarom dat niet is onderzocht (bron).
Wat de onderzoekers zelf concluderen
De onderzoekers schrijven dat genderonvrede in de vroege adolescentie relatief vaak voorkomt, met de leeftijd meestal afneemt en samenhangt met een slechter zelfbeeld en meer psychische problemen (bron). Voor wat dit betekent voor het Dutch Protocol: de studie zegt niets over hoeveel van deze jongeren later medische zorg zoeken.